|
In de afgelopen decennia is het grenslandschap vooral ervaren als achterkant of doorgangsland.
Rijksoverheden en de Europese Unie zien het grenslandschap graag opgaan in de Europese (economische) ruimte, maar voor de provincies en gemeenten is het grenslandschap nog steeds vooral einde plangebied. Hoewel er is geëxperimenteerd met grensoverschrijdende, vaak door de EU ondersteunde, projecten op het gebied van natuur, water, landschap, economie, infrastructuur, recreatie en cultuurhistorie, blijkt tot nu toe dat de specifieke grenskwaliteiten een marginale rol spelen in onderzoek en ontwerp voor de grensregio.
De studie ‘Grenslandschap’ levert een rijk geschakeerd beeld van het grenslandschap en een aanbod van mogelijkheden om ontwerpenderwijs met dit landschap om te gaan. Naast ‘niets doen’ hebben scenario’s als ‘de grens radicaal wegdenken’ en ‘de grens op een theatrale manier versterken’ hierin een aandeel gekregen. De grens is niet alleen oorzaak van hoe het grenslandschap er op dit moment uit ziet, maar kan ook de verbeelding in gang zetten en visioenen aanreiken van een toekomstig landschap. Bestaande (regionale) concepties, opgaven en beleid kunnen zo in een nieuw kader worden geplaatst. Het grenslandschap zou wel eens de sleutel kunnen zijn tot het oplossen van slepende kwesties en onopgeloste problemen. De studie is een pleidooi voor het opzoeken van de rand en het werken aan ruimtelijk beeldende verkenningen van het grenslandschap vanuit de kansen die grens en grensligging bieden.
I.s.m. Henk van Houtum (Radboud Universiteit Nijmegen), Martine van Kampen (Vinken en van Kampen).
Met bijdragen van Foke de Jong, Hanco Jurgens, Gijs Wallis de Vries en Olga Russel.
Gesubsidieerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur, regeling Belvedere.
|